Het verhaal van de Oekraïense Orthodoxe gemeenschap is verre van aangenaam. Weinig volkeren hebben in hun geschiedenis een dergelijke harde “struggle for life” meegemaakt. Belangrijk is zeker dat die gemeenschap niet ten onder is gegaan in die strijd. Integendeel, zij die hier na de tweede wereldoorlog als vluchtelingen terechtkwamen, hebben een nog hechtere band met elkaar gesmeed. Een volk kan immers bovenmenselijk taai om zijn voortbestaan vechten: een rotsvast Christelijk geloof en trots om eigen taal en cultuur, verrichten hierbij wonderen.
Oorlogsomstandigheden hebben ertoe geleid dat in de jaren 1939 tot 1945 honderdduizenden Oekraïners, die zich in Duitsland bevonden, deel begonnen uit te maken van de massa van 12 miljoen arbeiders. Die arbeiders, mannen en vrouwen, vormden de basis van de oorlogseconomie van nazi-Duitsland. Arbeiders, komende uit alle hoeken van Europa, werden in dat totalitair regime gegroepeerd onder de term “Fremdarbeiter”.
In de jaren ’43 tot ’45 werd die massa nog vervoegd door een groot aantal gezinnen die waren gevlucht voor de Russische terreur.
Mei 1945: Duitsland ligt in puin. De vreemde arbeiders, van het ene ogenblik op het andere vrijgelaten, trachtten langs alle mogelijke wegen terug te keren naar hun land van herkomst. Alleen voor de Oekraïners is er geen weg terug. Velen vonden een uitweg naar Amerika, anderen naar West-Europese landen die een beroep wensten te doen op dit arbeiderspotentieel. De Belgische autoriteiten wierven op dat ogenblik arbeiders aan voor de steenkolen-mijnen, de steengroeven en de staalindustrie. Zo arriveerden hier in april 1947, de eerste trein met Oekraïense arbeiders. Die mensen kwamen uit het Amerikaanse kamp “Cornberg”. Daarna volgden nieuwe transporten uit andere delen van Duitsland. Pas drie maanden later mochten hun gezinnen nakomen.

In de nieuwe thuishaven, bevrijd van het juk en de terreur van het godsdienstverbod, ging de eerste aandacht naar de geestelijke en de culturele noden. De Oekraïners voelden het als een plicht, enerzijds de rijke volkskundige erfenis te onderhouden en door te geven aan hun kinderen en kleinkinderen, anderzijds ook naar buiten te treden om als goed geïntegreerde Limburgers hun cultuur kenbaar te maken aan de Vlaamse gemeenschap. Reeds in Duitsland bouwden de orthodoxe Oekraïners een diep-christelijk parochiaal leven uit. Door de uittocht naar de verschillende landen werden die parochies, ondanks de pogingen om samen te blijven, toch verscheurd. Maar, en dit is opmerkelijk, het eerste wat na aankomst in het nieuwe thuisland ontstond, waren die dynamische parochies.
Het typeert dit volk dat het de strijd niet lijdzaam heeft ondergaan, maar dat het zich integendeel, met de vaste wil om te overleven, opnieuw organiseerde als geloofsgemeenschap met tal van kerkelijke activiteiten, en met een schat aan traditie als socio-culturele gemeenschap. Uit het voorgaande blijkt dat de Oekraïners niet om economische redenen naar België zijn gekomen, maar dat het echte politieke vluchtelingen zijn. Als zodanig werden ze in Genk verwelkomd, temeer omdat ze wegens een tekort aan arbeidskrachten tengevolge van de oorlogsomstandigheden, konden worden ingeschakeld in de mijnen.
Na twee jaar konden ze naar eigen keuze elders gaan werken, of een andere weg inslaan. Zo gingen velen studeren en werden bekwame specialisten of veroverden een universitaire titel. Ze werden dokter, ingenieur, advocaat, kunstenaar, sommige zelfs priester.
Meer nog dan voor een bestaanszekerheid zijn ze bekommerd voor het bewaren van hun eigenheid, taal en cultuur. We zien ze nog opstappen in Limburgse optochten, in prachtige Oekraïense klederdracht, de blauw-gele vlag fier voorop. We zien ze op feesten, op podia, voor de Vlaamse televisie, hun vaderlandse dansen uitvoeren. We horen de heldere klanken van de bandoera waarop ze hun eigen liederen laten weerklinken.
We luisteren in de goddelijke vieringen naar hun sobere welluidende gezangen in de eigen taal.
Die eigen taal kan natuurlijk niet worden onderwezen in de Limburgse scholen. Daarom wordt gezorgd voor eigen taalonderricht, op vrije dagen, en in gezinsverband. De voornaamste zorg echter is een waardige plaats voor de goddelijke dienst. De eerste “tempel” was een houten gebouwtje, door de mijndirectie van Zwartberg ter beschikking gesteld. Dan, vanaf 1954, werden de erediensten gehouden in een ijzeren loods. (Stel u dat voor in een warme zomer!). Maar spoedig moest die loods worden afgestaan voor de inrichting van een bibliotheek. Door toedoen van de Oekraïnse mijningenieur Panamarenko kon dan vele jaren lang een ex-gevangenenbarak als kerk worden gebruikt. Zolang de mijn van Zwartberg bestond, zorgde het mijnpersoneel voor onderhoud en toezicht. Maar in 1978 werd die plaats zo bouwvallig en vochtig dat de toestand onhoudbaar werd. De secretaris van de parochiale raad, Vitali Derewianka, vroeg dan aan het gemeentebestuur in naam van zijn gemeenschap een waardigere plaats voor godsdienstige en culturele activiteiten, met eventueel een tussenoplossing voor deze nood aan een eigen gebedshuis.


Men betrok dankbaar de bovenverdieping van het vroegere politiebureau in de Onderwijslaan te Waterschei. De goddelijke diensten werden verzorgd door priesters die hiervoor door de Sobor1 zijn aangewezen. Met liefde en dankbaarheid onthoudt men de geestelijken E. Czyziw, tot 1951 parochiepriester te Zolder; T. Matsak, parochiepriester in Luik, tot 1956; protopresbyter Ivan Baczynskyj, tot aan zijn overlijden in 1972; Boris Chainiewski, parochiepriester van Metz in Frankrijk; H. Marwijenko, parochiepriester van Hamburg en Anfir Ostapschuk parochiepriester van Keulen tot 1982.
Vanaf dan hadden de Oekraïners een eigen priester, Ivan Derewianka. Hij werd priester gewijd op 19 september 1982 en is sindsdien verantwoordelijk voor de 3 Belgische parochies van de Oekraïense Autocefale Orthodoxe Kerk. Met name te Genk, parochie heilige Archistrateeg aartsengel Michael; te Boussoit-Mourage, parochie heilige Moeder Gods Pokrov; te Liège, parochie Ontslapen van de Moeder Gods.

- [Sobor: Hoogste Kerkelijke vergadering met lekenvertegenwoordiging.] ↩︎